De Apidea. Van een kop bijen tot een leggende koningin.
Een Apidea is klein, licht en slim gemaakt. Met een kop jonge bijen, een blok suikerdeeg en een rijpe moerdop maak je er in drie weken een leggende koningin mee. Hier lees je stap voor stap hoe dat het beste lukt: van het vangen van de juiste bijen tot het wisselen van de koningin, onderbouwd met onderzoek en de ervaring van telers.
Klein kastje, groot verschil
De Apidea komt uit Zwitserland en is gemaakt van stevig, isolerend piepschuim. In het kastje passen drie kleine raampjes, een voerbak en een paar honderd bijen, tot zo’n achthonderd. Daardoor heb je voor één koningin maar een fractie van de bijen nodig die een gewone aflegger kost: uit één sterk volk vul je makkelijk een hele reeks kastjes.
Elk onderdeel heeft een taak. Tik op een onderdeel om te zien waarvoor het dient.
← veeg om de hele figuur te zien →
Tik op een onderdeel
Dan zie je waarvoor het dient.
Het begint met de juiste bijen
Een Apidea staat of valt met jonge bijen. Alleen zij maken nog was en kunnen de koningin en later het broed voeren. Haalbijen zijn daar te oud voor. Bovendien vliegen ze bij de eerste gelegenheid terug naar hun oude kast.
Jonge bijen haal je op twee manieren:
- Uit de honingkamerNeem een raam uit de honingkamer van een sterk volk, boven het moerrooster. Daar zitten vooral jonge bijen, en de koningin kan er niet bij. Zo verstoor je het volk het minst.
- Van open broedOp ramen met open broed zitten de voedsterbijen. Zoek wel eerst de koningin, zodat je haar niet per ongeluk meeschudt.
Houd het raam boven een bak en geef het eerst een lichte tik: de oudere bijen vliegen op. Een stevige schok laat daarna de jonge bijen in de bak vallen. Zij blijven kruipen, de laatste haalbijen vliegen weg. Besproei de bijen licht met water, dan vliegen ze niet op en klonteren ze samen tot een tros die makkelijk te scheppen is.
Gaan je kastjes naar een bevruchtingsstation? Dan moeten ze darrenvrij zijn. Zeef de bijen door een moerrooster: werksters kunnen erdoor, darren niet. Voor een station is dat verplicht.
Hoeveel bijen?
← veeg om de hele figuur te zien →
Goed gevuld
Ongeveer een kopje natte bijen.
Niemand weegt zijn bijen: telers scheppen ze af met een vaste maat. Reken op 250 tot 300 ml natte bijen per kastje, ongeveer een kopje of een kleine beker vol. Precies hoeft het niet, als het kastje maar niet duidelijk te leeg of te vol is. Gebruik altijd hetzelfde kopje of dezelfde soeplepel, dan wordt elk kastje even vol.
Het kastje vullen
Voorbereiden. Plak in elk raampje een strook kunstraat van een paar centimeter, of gebruik een raampje met uitgebouwde raat. Vul de voerbak voor de helft tot driekwart met suikerdeeg. Zorg dat het gat in het doorzichtige deksel boven de uitsparing tussen twee raampjes zit: daar hang je straks de moerdop in.
Op de kop. Draai de Apidea om en schuif de bodem voor ongeveer twee derde open. Werk ’s avonds of vroeg in de ochtend, als de bijen rustig zijn.
Erin. Schep of giet de natte bijen erin, schuif de bodem dicht zonder bijen te pletten en draai het kastje om. Een stevig elastiek om de kast houdt het deksel op zijn plaats.
De koningin of de moerdop. Een rijpe moerdop hang je een tot zes uur na het vullen, of na een dag, door het gat in het deksel, punt naar beneden. Een onbevruchte koningin kan meteen mee: zet haar in het kastje en schep er een portie natte bijen bovenop.
Moerdop of onbevruchte koningin?
← veeg om de hele figuur te zien →
Rijpe moerdop
Uitleg
Proef van Pérez-Sato en Ratnieks (2006) aan de universiteit van Sheffield: hoeveel kastjes kregen een leggende koningin? De meeste koninginnen gingen verloren bij het invoeren en uitlopen, slechts een derde tijdens de bevruchting.
Twee à drie dagen donker en koel
Een vers gevuld kastje mag niet meteen naar buiten. De bijen moeten eerst merken dat dit hun nieuwe thuis is, anders vliegen ze terug naar hun oude kast of trekken ze met de jonge koningin weg. Duitse telers noemen dit de Kellerhaft: de kelderopsluiting.
- Hoe langTwee tot drie dagen. Korter verhoogt de kans dat de bijen weglopen.
- WaarIn een donkere, rustige ruimte. Niet te koud: boven 10 °C, en rond 15 °C is ideaal.
- WaterSpuit een keer per dag wat water door het ventilatierooster. De bijen hebben het nodig om het suikerdeeg op te lossen.
- MoerdopBegin je met een moerdop, laat het kastje dan dicht tot de koningin is uitgelopen.
Wil je het kastje op je eigen stand zetten? Vul het dan liever op een andere stand, een paar kilometer verderop, en breng het daarna naar huis. Zo vliegen er nog minder bijen terug.
Een goede plek
Zet de kastjes ’s avonds neer en open dan pas het vlieggat. Let erop dat het kleine moerrooster het vlieggat niet afsluit: de jonge koningin moet naar buiten om te paren. Een simpele test: schuif een pen door het vlieggat. Gaat dat stroef, kijk dan of de schuif goed staat.
- SchaduwEen Apidea in de volle zon wordt snel te warm. Hitte is een van de belangrijkste oorzaken van weglopen.
- BeschutUit de wind en de slagregen, op een standaard of paal. Een mierenring om de poot houdt mieren buiten.
- HerkenbaarGeef elk kastje een eigen kleur, teken of richting. Een koningin die terugkeert van haar bruidsvlucht, moet haar eigen kastje vinden.
- Op afstandNiet vlak naast sterke volken: dat geeft rust en minder kans op roverij.
Waarom dat herkennen zo telt? In een Duits onderzoek met chips op de koninginnen kwam 17 procent niet terug van een bruidsvlucht. Elk hulpmiddel om de weg terug te vinden, helpt.
Een dag met bruidsvluchten
← veeg om de hele figuur te zien →
Heidinger e.a. (2014) volgden 64 carnicakoninginnen met chips. Ze vlogen tussen 11:50 en 17:38 uur, ruim acht op de tien vluchten tussen 13 en 16 uur. Een koningin vloog op gemiddeld twee dagen, met zo’n vijf vluchten van gemiddeld 18 minuten. Doe je controles dus ’s ochtends of laat in de middag.
Je Apidea-planner
Vul in wanneer je het kastje vult en waarmee. De planner rekent uit wanneer je wat doet en wanneer je kijkt. Gebruik je de Teeltkalender? Dan is de vuldag de dag dat je rijpe cellen verdeelt: dag 10 na het overlarven.
← veeg om de hele figuur te zien →
De planning wordt geladen.
Gemiddelde dagen. Bij koud of nat weer begint de bevruchting later. In onderzoek legden koninginnen gemiddeld negen tot elf dagen na het uitlopen hun eerste eitjes, maar soms al na vier dagen en soms pas na drie weken.
Eitjes en broed: is ze goed bevrucht?
Zie je eitjes, dan heeft de koningin gepaard, maar je weet nog niet hoe goed. Wacht tot het eerste broed verzegeld is. Pas dan zie je of ze werksters legt of alleen darren. Kijk door het doorzichtige deksel, of til een raampje voorzichtig uit.
Wat zie je op het raampje?
← veeg om de hele figuur te zien →
Tik op een raampje
Dan lees je wat het betekent.
Wisselen: dezelfde Apidea, een nieuwe koningin
Een goed bevolkte Apidea kan in één seizoen meerdere koninginnen leveren. Telers mikken op drie per kastje. Het wisselen gaat zo:
Laat haar eerst leggen. Haal de koningin pas weg als je verzegeld werksterbroed ziet. Australisch onderzoek liet zien dat koninginnen die bij het invoeren 7 tot 24 dagen oud waren, veel vaker werden aanvaard dan jongere. Een koningin die een paar weken legt, is dus ook beter in te voeren.
Haal haar eruit en zet haar in een kooitje of direct in het volk dat haar krijgt. Lees hoe in Een koningin invoeren.
Geef meteen een nieuwe rijpe moerdop. In een kastje met bijen en broed wordt een moerdop gemakkelijk aangenomen. Een onbevruchte koningin kan ook, het liefst vlak na het uitlopen.
Breek eigen cellen weg. Er liggen nog eitjes en jonge larven van de vorige koningin. Daarop kunnen de bijen zelf redcellen bouwen. Kijk na drie tot vijf dagen en breek ze weg.
Houd het kastje op sterkte. Na een paar rondes worden de bijen oud en minder. Vul aan met een schep jonge bijen, of ruil de plaats van een te vol en een te leeg kastje. Is het kastje overvol met broed en voer, zet er dan een opzetbak op of neem er een raampje uit voor een zwak kastje.
Zodra de nieuwe koningin weer legt, kun je het moerroostertje voor het vlieggat schuiven. Dan kan ze niet meer met de bijen wegtrekken. Haal het weer weg voordat er een nieuwe onbevruchte koningin moet uitvliegen.
Probleemzoeker
Ook bij ervaren telers gaat niet elk kastje goed. Kies wat je ziet en lees wat er waarschijnlijk aan de hand is.
Kies een probleem
Hierboven staan de meest voorkomende problemen met Apidea’s.
Het pinnenbord: houd je kastjes bij
Wie veel kastjes heeft, raakt snel het overzicht kwijt. Een Noord-Ierse teler met 200 Apidea’s prikt daarom een gekleurde punaise in elk deksel. Probeer het hier: tik op een kastje om de kleur te wisselen. Je bord blijft in deze browser bewaard.
Leg daarnaast onder elk deksel een briefje met de teeltmoer, de dag van invoeren, de dag van uitlopen, de standplaats en de dag dat je de eerste eitjes zag.
Samengevat
Vul een Apidea met ongeveer een kopje (250 tot 300 ml) natte jonge bijen uit de honingkamer of van open broed, besproeid met water. Darrenvrij als het kastje naar een station gaat.
Alleen suikerdeeg als voer, geen suikerwater: dat lokt rovers.
Twee à drie dagen donker en koel, rond 15 °C, met elke dag wat water. Daarna ’s avonds naar buiten, in de schaduw.
Rijpe moerdop of een koningin van hooguit een dag oud geven ongeveer dezelfde kans. Oudere onbevruchte koninginnen worden slechter aanvaard.
Controleer twee dagen na de moerdop of ze is uitgelopen, na tien tot twaalf dagen op eitjes en daarna op verzegeld werksterbroed.
Laat een koningin een paar weken leggen voordat je haar weghaalt, en geef het kastje dan meteen een nieuwe moerdop.
Lees ook
Dit artikel hoort bij een reeks over koninginnen en teelt.
Begrippen
De vaktermen uit dit artikel op een rij. In de tekst kun je op een woord met een stippellijntje tikken voor de korte uitleg.
- Apidea
- Klein bevruchtingskastje van piepschuim uit Zwitserland, met drie raampjes en een voerbak.
- Bevruchtingskastje
- Klein kastje waarin een jonge koningin met een handvol bijen woont tot ze bevrucht is en legt.
- Bevruchtingsstation
- Afgelegen plek waar alleen darren van gekozen darrenvolken vliegen. Kastjes moeten er darrenvrij heen.
- Broedstoof
- Verwarmde kast van 34 tot 35 °C waarin rijpe moerdoppen veilig kunnen uitlopen.
- Bruidsvlucht
- Vlucht waarbij een jonge koningin hoog in de lucht met darren paart. Meestal maakt ze er een paar, verspreid over enkele dagen.
- Bultbroed
- Darrenbroed in gewone werkstercellen. De dekseltjes staan bol omdat darren groter zijn dan werksters.
- Darrenbroedige werksters
- Werksters die zelf onbevruchte eitjes gaan leggen als er te lang geen koningin en geen jong broed is. Er komen alleen darren uit.
- Darrenvrij
- Zonder darren. Voor een bevruchtingsstation zeef je de bijen door een moerrooster, zodat er alleen werksters in het kastje komen.
- Haalbijen
- Oudere werksters die buiten nectar, stuifmeel en water halen. Ze vliegen makkelijk terug naar hun oude kast.
- Kellerhaft
- Duits woord voor de kelderopsluiting: twee à drie dagen donker en koel, zodat de bijen aan hun nieuwe kastje wennen.
- Kunstraat
- Plaat was met de celvorm erin geperst, waarop de bijen verder bouwen.
- Moerrooster
- Rooster waar werksters wel doorheen kunnen, maar een koningin en darren niet.
- Onbevruchte koningin
- Jonge koningin die nog niet gepaard heeft. Ze legt pas na de paring.
- Opzetbak
- Extra bak die je op een Apidea zet om het kastje groter te maken.
- Redcel
- Moerdop die het volk zelf bouwt over een jonge werksterlarve als er geen koningin is.
- Rijpe moerdop
- Moerdop een tot twee dagen voor het uitlopen. De pop is dan stevig genoeg om te verplaatsen.
- Roverij
- Bijen die de honing uit andere kasten stelen. Kleine kastjes zijn er kwetsbaar voor.
- Startstrook
- Smalle strook kunstraat bovenin een raampje, waar de bijen hun raat aan beginnen te bouwen.
- Suikerdeeg
- Vast voer van suiker. In een kastje veilig, omdat het niet morst en geen rovers lokt.
- Teeltmoer
- Koningin waarvan je de larven gebruikt om nieuwe koninginnen te kweken.
- Voedsterbijen
- Jonge werksters die de larven en de koningin voeren met voedersap uit hun klieren.
Bronnen
- Heidinger, I.M.M., Meixner, M.D., Berg, S. en Büchler, R. (2014). Observation of the mating behavior of honey bee (Apis mellifera L.) queens using radio-frequency identification (RFID): factors influencing the duration and frequency of nuptial flights. Insects 5(3), 513–527.
- Pérez-Sato, J.A. en Ratnieks, F.L.W. (2006). Comparing alternative methods of introducing virgin queens (Apis mellifera) into mating nucleus hives. Apidologie 37, 571–576.
- Rhodes, J.W., Somerville, D.C. en Harden, S. (2004). Queen honey bee introduction and early survival: effects of queen age at introduction. Apidologie 35, 383–388.
- Smilga-Spalvina, A., Spalvins, K. en Veidenbergs, I. (2024). Field study: factors influencing virgin queen bee acceptance rate in Apis mellifera colonies. Czech Journal of Animal Science 69(4), 155–164.
- Chuda-Mickiewicz, B. en Samborski, J. (2015). The quality of honey bee queens from queen cells incubated at different temperatures. Acta Scientiarum Polonorum Zootechnica 14(4), 25–32.
- Kahya, Y., Gençer, H.V. en Woyke, J. (2008). Weight at emergence of honey bee (Apis mellifera caucasica) queens and its effect on live weights at the pre and post mating periods. Journal of Apicultural Research 47(2), 118–125.
- Büchler, R. e.a. (2013). Standard methods for rearing and selection of Apis mellifera queens. Journal of Apicultural Research 52(1). COLOSS BEEBOOK.
- Bayerische Landesanstalt für Weinbau und Gartenbau, Fachzentrum Bienen (2019). Königinnenzucht im Honigraum: Erstellen von Begattungseinheiten en Kellerhaft.
- Getty, J. (2021). Native queen bee production using Apideas. Belfast Beekeepers / NIHBS.
- Millar, A. (2018). Starting an Apidea. Brighton & Lewes Beekeepers.
- Laidlaw, H.H. en Page, R.E. (1997). Queen Rearing and Bee Breeding. Wicwas Press.
- Eigen ervaring uit de teelt van Quality Queens.
© 2026 Quality Queens · qualityqueens.nl. Tekst, tekeningen en interactieve onderdelen zijn eigendom van Quality Queens en mogen niet zonder toestemming worden overgenomen. Delen met een link is van harte welkom.
