Starter, finisher en pleegvolk

Quality Queens · Imkerkennis

Starter, finisher en pleegvolk. Zo bouwen je bijen goede moerdoppen.

Overlarven of een teeltraam snijden is maar de helft van het werk. De bijen moeten de doppen ook bouwen en de larven royaal voeren, en dat doen ze alleen in een volk dat daar klaar voor is. Hier lees je wat een starter en een finisher zijn, welk systeem bij jou past, en hoe je het stap voor stap opzet. Met een systeemkiezer, een pleegvolk-check en een planner.

24 uurin de starter: dan zijn de doppen aangenomen en kunnen ze naar de finisher
Moerloosmoet een starter zijn: alleen dan zet het volk volop doppen aan
Stuifmeelnaast de cellenlat: zonder stuifmeel maken de bijen geen koninginnengelei
Dag 10na het overlarven zijn de doppen rijp om te verdelen
01

Starter, finisher, starter-finisher: wat is wat?

Telers gebruiken een paar woorden die vaak door elkaar lopen. Ze gaan allemaal over het volk dat de doppen bouwt en de larven voert.

Starter

Een volk zonder koningin, vol jonge bijen, dat de overgelarfde larven aanneemt en de eerste dag volop koninginnengelei geeft. Na ongeveer 24 uur gaan de doppen verder in een finisher. In Nederland is een drieramer met een starterkop een veelgebruikte starter.

Finisher

In het Nederlands ook wel afmaker. Een sterk volk mét koningin, waarin de aangenomen doppen boven een moerrooster verder worden verzorgd tot ze gesloten zijn. Het volk werkt dan zoals bij een stille moerwisseling.

Starter-finisher

Eén volk dat beide doet. Met een Cloake-bord is de bovenste bak eerst een dag moerloos en daarna weer moergoed. Ook een moerloos pleegvolk is een starter-finisher: de doppen blijven er van begin tot eind in.

Pleegvolk

Het verzamelwoord voor elk volk dat doppen bouwt en de larven voert: starter, finisher of starter-finisher.

02

Waarom het werkt

Een volk dat zijn koningin mist, wil zo snel mogelijk een nieuwe. Dan bouwen de bijen over veel jonge larven tegelijk een dop. Dat is de kracht van een moerloze starter. Maar een volk zonder koningin raakt na een paar dagen uit balans. Daarom laten veel telers de doppen afmaken in een volk met koningin: dat voert rustig en royaal door, alsof het zijn eigen koningin vervangt.

Jonge bijen

Vooral voedsterbijen van zo’n vijf tot vijftien dagen oud maken koninginnengelei. Hoe meer jonge bijen, hoe meer doppen het volk goed kan voeren.

Stuifmeel en voer

In een Israëlisch onderzoek met kleine groepjes van 200 voedsterbijen (Kama en Shpigler, 2025) werd zonder stuifmeel geen enkele larve aangenomen, met veel stuifmeel 72 procent. Voer dun suikerwater als er geen dracht is.

Geen concurrentie

Heeft het volk eigen jonge larven, dan bouwt het daar ook redcellen op, en die gaan voor jouw doppen. Breek die redcellen weg voordat je de cellenlat inhangt.

03

Welk systeem past bij jou?

Vier vragen, en je weet welk systeem het best bij je stand en je reeks past.

04

Drie systemen, stap voor stap

Kies een systeem en klik door de stappen. De dagen tellen vanaf de dag waarop je overlarft of het teeltraam inhangt: dag 0.

Wat is een Cloake-bord?

Een Cloake-bord ligt tussen de twee broedkamers van één sterk volk. Het is een moerrooster in een houten rand, met een eigen vlieggat aan de voorkant en een sleuf waarin een schuif past. Zonder schuif werkt het als gewoon moerrooster: de werksters lopen door de hele kast en de koningin blijft onderin. Met de schuif erin zijn de twee bakken van elkaar gescheiden. De bovenste bak ruikt de koningin dan niet meer en wordt moerloos: een starter. Trek je de schuif er na een dag weer uit, dan is het volk weer één geheel en wordt de bovenste bak een finisher. Het bord is bedacht door Harry Cloake uit Nieuw-Zeeland.

    Wat heb je nodig? Eén sterk volk op twee broedkamers, een Cloake-bord dat op je kast past, en een raam met een cellenlat. In het filmpje zie je hoe je het opzet.

    FilmpjeStarter-finisher met een Cloake-bord, in ruim een minuut
    0:00
    Zo werkt een drieramer met starterkop

    In Nederland is een drieramer met een starterkop een veelgebruikte starter. De starterkop is een opzetrand met zo’n 5 cm vrije ruimte boven de ramen. Bovenin zit een plank met gaten voor dophouders of teeltlatten, en daaronder een schuif. Zolang de schuif erin zit, kunnen de bijen niet bij de larfjes. Zo kun je de bijen eerst rustig moerloos laten worden en daarna in één keer bij de larfjes laten.

      Hieronder vind je alle drie de systemen, in je eigen tempo.

      05

      Pleegvolk-check

      Loop deze punten na voordat de cellenlat erin gaat. Je ziet meteen of je pleegvolk klaar is, en wat er nog ontbreekt.

      06

      Planner

      Kies de dag waarop je overlarft en het systeem. De planner zet alles op een rij, van het klaarmaken tot het verdelen van de rijpe doppen.

      Systeem

      Gemiddelden bij een broednesttemperatuur van ongeveer 35 °C. Wanneer de teeltmoer moet leggen, zie je in de Teeltkalender.

      07

      Zijn de doppen aangenomen?

      Na 24 uur kun je het zien. Til de cellenlat er voorzichtig uit, houd hem rechtop en schud er niet aan.

      Aangenomen

      De bijen hebben een randje was op de dop gebouwd en de larve ligt in een glanzende laag koninginnengelei. Zo’n dop groeit de volgende dagen hard.

      Niet aangenomen

      De dop is leeg, of de larve ligt droog en zonder gelei. Haal hem weg. Zijn het er veel, kijk dan naar de pleegvolk-check.

      Hoeveel is normaal?

      In een goede starter worden de meeste larven aangenomen. Valt het tegen, dan zijn er meestal te weinig jonge bijen, te weinig stuifmeel, of waren de larven te oud.

      Doppen veilig laten uitlopen

      Rond dag 10 zet je de rijpe doppen in uitloopkooitjes. Met een Nicot-tray houd je de kooitjes netjes bij elkaar in een raam of in de broedstoof.

      08

      Negen veelgemaakte fouten

      Tik op een kaart voor de oplossing.

      09

      Veelgestelde vragen

      Wat is het verschil tussen een starter en een finisher?

      Een starter is moerloos en vol jonge bijen. Daar worden de overgelarfde larven de eerste 24 uur aangenomen. Een finisher heeft een koningin onder een moerrooster en maakt de aangenomen doppen boven verder af tot ze gesloten zijn. Finisher heet ook wel afmaker.

      Wat is een starter-finisher?

      Eén volk dat de doppen aanneemt en ook afmaakt. Met een Cloake-bord maak je de bovenste bak een dag moerloos en daarna weer moergoed. Ook een moerloos pleegvolk is een starter-finisher.

      Hoeveel doppen kan een pleegvolk aan?

      Dat hangt af van het aantal jonge bijen en de hoeveelheid stuifmeel en voer. Een sterk volk op twee bakken kan zo’n twintig tot dertig doppen per reeks goed verzorgen. Meer doppen betekent minder voer per larve.

      Hoe lang blijven de doppen in de starter?

      Ongeveer 24 uur, tot 36 uur. Dan zijn ze aangenomen en hebben ze een randje nieuwe was. Daarna gaan ze naar de finisher, of trek je de schuif uit het Cloake-bord.

      Moet ik voeren?

      Als er geen dracht is wel. Voer dun suikerwater, een op een, vanaf een paar dagen voor het overlarven tot de doppen gesloten zijn. Zorg daarnaast voor ramen met stuifmeel naast de cellenlat.

      Waarom worden mijn larven niet aangenomen?

      Meestal door te weinig jonge bijen, te weinig stuifmeel, larven die te oud zijn, of omdat de starter niet echt moerloos is. Ook een gemiste redcel of eigen jonge larven in de starter zorgen voor minder aanname.

      Kan de starter ook bovenop het volk staan?

      Ja. Zet de koningin van een volk op twee bakken onderin onder een moerrooster en het open broed erboven. Vul een broedkamer met de jonge bijen van de ramen met open broed, met voer, lauw water en stuifmeel, en zet die met een uitschuifbare scheiding bovenop hetzelfde volk. Na een dag trek je de scheiding eruit en lopen de bijen gewoon terug. Ze houden zo de geur van hun eigen volk, en de starter loopt niet warm.

      Kan ik de starter twee keer gebruiken?

      Ja. Haal na 24 uur de aangenomen doppen eruit en zet meteen een tweede reeks overgelarfde celcupjes in dezelfde starter, met dezelfde bijen. Na weer 24 uur gaan ook die naar een finisher. Daarna kun je de starterbijen één dop laten houden en er een nieuw volkje van maken, of je geeft ze terug aan hun eigen volk.

      Kan ik een pleegvolk meerdere keren gebruiken?

      Ja. Een finisher of een Cloake-volk kan na een week of tien dagen een nieuwe cellenlat krijgen. Geef het volk zo nodig een raam met uitlopend broed om het sterk te houden, en blijf voeren.

      Wanneer moet ik de rijpe doppen verdelen?

      Op dag 10 na het overlarven. Rond dag 11 of 12 lopen de eerste koninginnen uit, en de eerste die uitloopt steekt de andere doppen open. Wacht dus niet langer, of zet de doppen eerder in uitloopkooitjes.

      Samengevat

      1. Een starter is moerloos en vol jonge bijen. Daar worden de doppen de eerste 24 uur aangenomen.

      2. Een finisher heeft een koningin onder een moerrooster. Daar worden de doppen boven verder verzorgd tot ze gesloten zijn.

      3. Een starter-finisher is één volk dat beide doet: met een Cloake-bord, of als moerloos pleegvolk.

      4. Zorg voor veel jonge bijen, stuifmeel naast de cellenlat en voer, en breek alle eigen redcellen weg.

      5. Na 24 uur zie je of de doppen zijn aangenomen. Rond dag 5 zijn ze gesloten, rond dag 10 rijp.

      Een goede teeltmoer

      Je koninginnen worden zo goed als de moer waarvan je teelt. Bij Quality Queens telen we Buckfast- en Kaukasische koninginnen met een bekende afstamming, geselecteerd op zachtaardigheid, rust op de raat en weinig zwermneiging.

      Begrippen

      In de tekst kun je op een woord met een stippellijntje tikken voor de korte uitleg.

      Broedstoof
      Kastje dat op broednesttemperatuur blijft, zo’n 34 à 35 °C. Gesloten doppen kunnen er de laatste dagen in rijpen.
      Cellenlat
      Latje in een raam waarop de doppen met de overgelarfde larven zitten.
      Cloake-bord
      Bord met een moerrooster, een uitneembare schuif en een eigen vlieggat. Met de schuif erin is de bovenste bak moerloos, zonder schuif weer moergoed. Bedacht door Harry Cloake uit Nieuw-Zeeland.
      Dophouder
      Houdertje waarin een celcupje zit. Je steekt het in een teeltlat of in de plank van een starterkop.
      Drieramer
      Klein kastje voor drie ramen. Met een starterkop erop is het een handige starter.
      Finisher
      Volk met koningin onder een moerrooster, waarin de aangenomen doppen boven worden afgemaakt tot ze gesloten zijn. Ook wel afmaker genoemd.
      Koninginnengelei
      Wit, voedzaam sap uit de voedersapklieren in de kop van jonge werksters. Een koninginnenlarve krijgt het volop, haar hele larventijd lang.
      Moerrooster
      Rooster waar werksters wel doorheen kunnen en de koningin niet.
      Overlarven
      Met een larvenlepeltje een larve van hooguit een dag oud uit een werkstercel in een kunstmatige dop leggen.
      Pleegvolk
      Elk volk dat doppen bouwt en de larven voert: starter, finisher of starter-finisher.
      Redcel
      Moerdop die een volk zonder koningin zelf bouwt over een jonge werksterlarve. Ook wel noodcel genoemd.
      Starter
      Moerloos volk vol jonge bijen dat de overgelarfde larven de eerste 24 uur aanneemt en voert.
      Starter-finisher
      Eén volk dat de doppen aanneemt én afmaakt, bijvoorbeeld met een Cloake-bord.
      Starterkop
      Kop die je op een drieramer zet om hem als starter te gebruiken. Er zit een plank in met gaten voor dophouders of teeltlatten, en daaronder een schuif. Pas als je de schuif eruit trekt, kunnen de bijen bij de larfjes.
      Stuifmeel
      Eiwitbron van de bijen. Voedsterbijen hebben het nodig om koninginnengelei te maken.
      Teeltmoer
      De koningin waarvan je de larven gebruikt om nieuwe koninginnen te telen.
      Uitloopkooitje
      Kooitje om een rijpe dop, zodat de koningin die uitloopt de andere doppen niet kan openbijten.
      Voedsterbijen
      Jonge werksters van zo’n vijf tot vijftien dagen oud die de larven voeren.

      Bronnen

      1. Büchler, R. et al. (2013). Standard methods for rearing and selection of Apis mellifera queens. Journal of Apicultural Research 52(1). COLOSS BEEBOOK.
      2. Laidlaw, H.H. en Page, R.E. (1997). Queen Rearing and Bee Breeding. Wicwas Press.
      3. Dave Cushman’s Beekeeping and Bee Breeding website: Cell Building Colonies.
      4. Waikato Beekeepers Club: Cloake board queen rearing, how to.
      5. Kama, O. en Shpigler, H.Y. (2025). Social and nutritional factors controlling the growth of honey bee (Apis mellifera) queens. PLoS One 20(2): e0310608. Volledige tekst.

      Aangevuld met onze eigen ervaring als teler. Vragen? Neem contact op via qualityqueens.nl.

      © 2026 Quality Queens · qualityqueens.nl. Tekst, tekeningen en interactieve onderdelen zijn eigendom van Quality Queens en mogen niet zonder toestemming worden overgenomen. Delen met een link is van harte welkom.

      Zet me op de wachtlijst Zodra dit weer leverbaar is, krijg je van ons een mail. Laat hieronder je e-mailadres achter.